Een geschiedenis van de Blauwlappen

Tekst: Marinus Hoogmoed, illustratie: Marianne de Wit-Koenen

Waar de naam Blauwlappen vandaan komt? De blauwe lappen... Voor dat verhaal moeten we terug naar het jaar 1650. Het is een verhaal over liefde, een geromantiseerde geschiedenis. Met hoofdrollen voor Metje, het eerste Blauwlapperinnetje van Papklokkendam en Gijssie, de eerste stadsprins van Culemborg.

In de zeventiende eeuw is het leven natuurlijk net een tikkeltje anders dan vandaag de dag. De inwoners van Culemborg (toen nog Kuilenburg) zijn verplicht hun graan te laten malen bij de één van de twee molens die de stad rijk is. De molenaar, ook wel mulder genoemd, pacht ze van de graaf. Als betaling schept hij meel uit de zakken.

De graaf is de baas van alles in de stad, maar laat het dagelijks bestuur over aan de drost. Samen met de schout en de schepenen vormt hij het stadsbestuur. De schout is het hoofd van justitie, politie en openbaar aanklager. Samen met de schepenen is hij verantwoordelijk voor de rechtspraak. De schepenen zijn zowel jury als rechters.


PDF versie: Metje.pdf

-

“Maar het is toch niet eerlijk”, roept Metje tegen haar moeder die met een rood hoofd wegbeent van de nog altijd smalende molenaar. “Ach Metje, het leven is nou eenmaal niet eerlijk.” “Maar mam, hij pakt twee keer zo veel meel uit de zak dan hij mag, hij is gewoon een boef!” Even kijkt moeder haar dochter in de vurige ogen. Ogen die zich langzaam vullen met tranen van woede en frustratie. Een gevoel wat ze zelf maar ternauwernood weet te onderdrukken. Ze zucht, ze weet dat Metje gelijk heeft. Maar wat kan ze doen? Boeven als de molenaar zijn goede vriendjes met het stadsbestuur. En ze weet maar al te goed: mensen met machtige vriendjes moet je niet tegen het zere been stoten“Maar mam”, begint Metje weer, “hij schept zeker voor vijf broden meel te veel. Dat is brood voor bijna twee weken eten!” “Ja Metje”, zucht moeder, “die molenaar schept met z’n mouwen, ik weet het. Help me nu maar de kar terug naar huis trekken.” “En toch is het niet eerlijk”, roept Metje boos. Ze trekt zo hard aan de kar dat de zak meel er bijna af valt. “Metje kijk uit!”, roept moeder en ze weet de zak nog net tegen te houden. Ze kan echter niet voorkomen dat ze een handvol meel in haar gezicht krijgt. Het meeste valt direct op haar kleren en op de grond, maar er blijft ook her en der wat plakken. Vooral op haar voorhoofd. Het is een gek gezicht. Als Metje het ziet proest ze het uit van het lachen. En als Metje lacht, is er geen houden aan. Ze giert het uit en ook moeder kan zich niet bedwingen. Ze sluit haar giebelende dochter in de armen en lacht samen met haar alle frustratie en woede weg.

-

“Wat?”, moeder slaat haar armen hoog de lucht in. “Wat is in hemelsnaam nu weer een molenkar?” “De enige kar waarmee graan naar de molen mag worden gebracht en meel naar de huizen”, legt de molenaar belerend uit. “Belachelijk”, roept moeder, “ik heb m’n eigen kar, daar heb ik lang voor moeten sparen.” “Dan kan wel zo wezen, maar ik maal alleen graan dat wordt gebracht met de molenkar, dat zijn nu eenmaal de nieuwe regels.” “Regels, regels, jullie met je regels. En waar is die kar dan?” “Gijssie is nu even weg met de kar, maar als hij straks terug komt zal ik hem naar je toesturen. Dan kan ik je graan nog voor het eind van de dag malen en komt Gijssie morgen je meel brengen.” “Maar ik ben er nu toch al?”, moeder begrijpt er helemaal niets meer van. De molenaar kijkt minachtend naar de zak op de kar. “Je mag je graan niet meer zelf naar de molen brengen vrouwtje. Wat snap je daar nou niet aan?” “Maar, maar”, stamelt moeder. Ze weet dat ze dit gevecht niet kan winnen. De molenaar is een ploert van het hoogste niveau. Ze weet dat er niks anders op zit dan terug naar huis te gaan en te wachten op Gijssie, de molenknecht. “Oké”, zucht ze terneergeslagen, “jij wint mulder, jij wint.”

“Vrouw Helder”, roept Gijssie zo hard als hij kan. “Vrouw Helder, ik ben het, Gijssie, ik kom uw graan halen.” “Mama is er niet”, zegt Metje. Gijssie schrikt op. “O Metje, ik had jou helemaal niet gezien”, zegt hij met een blos op z’n wangen. Daar moet Metje toch een beetje om lachen. Die gekke Gijssie. Hij is dan wel de knecht van die rotzak van een molenaar, maar hij heeft ook de mooiste blauwe ogen van de hele stad. Metje vindt Gijssie eigenlijk wel leuk, maar laat dat toch maar niet merken. De molenaar en zijn knecht horen nu eenmaal bij de uitvreters van de stad, tenminste dat vindt moeder. “Het graan staat in de schuur”, zegt Metje kort. “Dan vind ik het wel”, zegt Gijssie. “Het halen en brengen kost 1 stuiver, vooraf te betalen alstublieft.” De jongen houdt afwachtend z’n hand op. “Een stuiver?”, roept Metje verbaasd uit. “Daar weet ik helemaal niets van, daar heeft moeder me helemaal niets over verteld.” “Toch is het zo”, zegt Gijssie resoluut. Dan ziet hij het verdriet op het gezicht van het meisje. Ook Gijssie weet dat een stuiver heel veel geld is en hij weet ook dat vrouw Helder het niet breed heeft. Zeker niet nu ze nog maar zo kort geleden haar man verloren heeft. Arme vrouw Helder, arme Metje. Metje is toevallig wel het mooiste meisje van de stad. “Van een mooi bord kun je niet eten”, zegt de molenaar altijd. Kan best wezen, maar het oog wil ook wat. Dat vindt Gijssie. En je moet mensen helpen als het kan. Zo is het. “Het is al goed Metje. Ik neem de zak mee en morgen breng ik je het meel. Maak je maar geen zorgen.” “Dankjewel Gijssie”, fluistert Metje. Ze veegt wat met een voet door het zand en kijkt vanonder een lok in z’n mooie ogen. Ze voelt hoe haar wangen kleuren.

-

“Dat mag je nooit meer doen hoor je!” Moeder ijsbeert door het kleine huisje en werpt Metje de ene na de andere verwijtende blik toe. ”Niets is ooit voor niets, zo’n jongen wil daar iets voor terug, dat zal je zien.” “Hij wil alleen maar helpen!”, sputtert Metje verbouwereerd tegen. “Hier komt narigheid van Metje, let op mijn woorden. Die molenaar en zijn knecht zijn hebzuchtige rovers zonder hart of geweten.” “Gijssie is helemaal niet zo!”, roept Metje nu fel. “Gijssie is een goed mens.” “Een goed mens? Een goed mens? De knecht van de duivel! Dat is hij!” Moeder is ziedend, zo boos heeft Metje haar nog nooit gezien. “Nou als die molenaar en dat addergebroed denken dat ze de zedelijkheid van mijn dochter kunnen kopen voor een stuiver, dan hebben ze het goed mis! Ik zal die molenaar eens flink de waarheid vertellen!”

“Mulder!”, moeder marcheert als een losgeslagen eenmansleger met grote stappen op de molenaar af. “Mulder! Jij misselijkmakend mannetje.” Met samengebalde vuisten staat moeder tegenover de molenaar. Als ze durfde zou ze hem nu het liefst in zijn gezicht spugen. Maar ze houdt zich in en zoekt naar een laatste vernietigende belediging.” “Nou, nou, weduwe Helder”, smaalt de molenaar. “Met het verkeerde been uit bed gestapt? Je mag wel eens een liever toetje trekken hoor. Wat dat betreft kan je een voorbeeld nemen aan het smoeltje van je dochter.” “Mijn dochter? Wat willen jullie toch met Metje? Jullie blijven van haar af!” En dan knapt er iets in moeder, ze krijgt een rode waas voor haar ogen en voor ze het zelf doorheeft haalt ze uit en verkoopt de molenaar een enorm klap midden in zijn gezicht.

De molenaar wankelt, maar blijft staan. Hij voelt waar moeder hem net geraakt heeft. De plek in zijn gezicht klopt en voelt onprettig warm onder zijn koude hand. “Wie denk jij wel niet dat je bent?”, gromt de molenaar tussen zijn tanden. En zonder een antwoord af te wachten slaat hij weduwe Helder tegen de grond.

Als Gijssie de molen uit komt lopen ziet hij de molenaar als een briesend paard over het schijnbaar levenloze lichaam van weduwe Helder staan. Hij bedenkt zich geen moment en snelt naar haar toe. “Aan de kant man!”, roept hij en duwt de molenaar hardhandig opzij. “Pas op knechtje”, snauwt de molenaar. “Pas jij maar op mulder. Als je het leven uit deze arme vrouw hebt geslagen zal je het bezuren.” “En wie moet jij daar dan voor meenemen?”, sneert de molenaar. “Lazer toch op man”, bijt Gijssie sissend van zich af. “Jij brutaal rot joch!”, de molenaar haalt uit. Maar Gijssie ontwijkt zijn grote vuist met gemak en haalt direct twee keer uit met links om vervolgens met een welgemikte kaakslag het gevecht te beëindigen. De molenaar rolt verbaasd met zijn ogen en zakt vervolgens als een pudding in elkaar.

-

“Gaat het weduwe Helder?”, voorzichtig dept Gijssie het voorhoofd van Metjes moeder met wat koud water. “Waar ben ik?”, kreunt ze. “Geen zorgen moeder, je bent thuis in je eigen bed”, zegt Metje. “Gijssie heeft je naar huis gebracht met de molenkar.” “Gijssie? Maar...” “Nee niets te maren moeder, Gijssie is een goede jongen. Hij heeft de mulder een goed pak rammel gegeven. Dat zal hem leren!” Metje slaat trots haar armen om Gijssie heen. “Gijssie is een held”, zegt ze en vlug geeft ze hem een kus op zijn wang. Gijssie lacht verlegen. Dan wordt er op de deur gebonsd.

“Gijsbert Jacobszoon”, de stem van de schout buldert door het kleine huisje. “Gijsbert Jacobszoon jij wordt beschuldigd van mishandeling der mulder en het oneigenlijk gebruik der molenkar. In afwachting van berechting zal je worden opgesloten in het gevang boven de Binnenpoort”. “Nee!”, roept Metje. “Dat is niet eerlijk, Gijssie heeft m’n moeder geholpen. Hij heeft moeder gered. Je moet de mulder hebben, hij heeft m’n moeder geslagen. Alleen lafaards slaan vrouwen. Hij moet het gevang in, niet mijn Gijssie.” Met een minachtende blik legt de schout het meisje het zwijgen op. “Neem hem mee mannen”, beveelt hij de twee soldaten van de schutterij. “Het komt wel goed Metje”, zegt Gijssie rustig. “Het recht zal zegevieren en jij moet voor je moeder zorgen.” “Maar”, probeert Metje. Maar ze weet dat hij gelijk heeft. Met tranen in haar ogen ziet ze hoe Gijssie wordt weggevoerd door de mannen van de schutterij en de potsierlijke schout.

-

“Psst, Gijssie, Gijssie...”, Metje fluistert zo hard als ze kan. Ze staat onder de Binnenpoort, onder het hijsluik. Hij moet daarboven zitten, het kan niet anders. Zo af en toe hoort ze iemand bewegen en er valt licht door de kieren in het hout. Waarom geeft hij nou geen antwoord? Dan slaat de Papklok. Vijf voor tien! “Ik kan maar beter snel naar huis gaan”, denkt Metje. “Als de wacht straks zijn ronde maakt en me hier vindt, dan zwaait er wat. Moeder zegt ook altijd: mensen laat op straat, zoeken geen goed maar kwaad. Misschien heeft ze wel gelijk deze keer.” Metje werpt nog een laatste blik op het luik en maakt zich dan uit de voeten. Ze is bang. Niet voor het donker, maar wel voor alles wat nog komen gaat.

Gijssie luistert hoe Metjes voetstappen steeds verder weg klinken en uiteindelijk helemaal oplossen in de stilte van de nacht. Al die tijd heeft hij wel geprobeerd dichter naar het luik te kruipen, dichter naar haar, maar het touw waarmee hij vast zit aan de balken is eenvoudigweg niet lang genoeg. En praten gaat al helemaal niet. Z’n mond is droog en maakt geen geluid, z’n lip is gescheurd en z’n neus zit verstopt met geronnen bloed. De schout stond toe dat de molenaar even een kort onderonsje met hem had. Wie slaat er nu een vastgebonden jongen? Als de commandant van de wacht niet had ingegrepen had de mulder hem ongetwijfeld doodgeslagen. “De mulder is een lafaard”, weet Gijssie. Morgen wordt hij terecht gesteld. Gijssie houdt z’n hart vast. De schout, de drost, de mulder: handen op één buik, dikke maatjes, vriendjes voor altijd. Dit kan alleen nog maar fout gaan. Terneergeslagen laat Gijssie z’n hoofd hangen. Als z’n ogen niet dichtgeslagen waren had hij het liefst even gehuild.

Gijssie staat op de grote blauwe steen voor het stadhuis. Zowel links als rechts van hem de potige wachters van de schutterij. Om hem heen drommen de mensen samen. Vandaag wordt recht gesproken wat krom is. Dat weten de mensen maar al te goed. Maar het is ook spanning en sensatie, dit mag je niet missen, dit blijft nog weken onderwerp van gesprek. Ook Metje staat tussen het gedrang en kijkt verdrietig naar Gijssie. Kijk hem daar nou staan, bont en blauw, z’n kleren vies en gescheurd. Hij is nu toch wel genoeg gestraft?

Binnen is de rechtspraak al in volle gang. De luiken van de onderste vensters staan open. Het zijn vensters zonder glas. Iedereen kan daarom horen wat de schout en schepenen bespreken en besluiten. De molenaar heeft zijn beklag al mogen doen. Een verhaal vol leugens dat het herhalen niet waard is. Een verhaal dat bovendien ondersteund werd door een groepje in de haast opgetrommelde getuigen. Stuk voor stuk vertrouwelingen van de schout. Het is gewoon niet eerlijk. “Waarom al die moeite als de uitkomst toch al vaststaat?”, denkt Metje.

Dan vliegen de deuren van het stadhuis open en loopt de drost parmantig het bordes op. Hij kijkt zelfgenoegzaam in het rond. Al dat volk. En dat speciaal voor hem. Snel werpt hij een afkeurende blik op de molenaarsknecht. Het stuk ongeluk. Hij neemt een diepe teug lucht en buldert vervolgens: “Burgers en buitenlui van de heerlijkheid Kuilenburg. Na wijs beraad hebben wij, het bestuur van deze stad, besloten dat het onomstotelijk vaststaat dat Gijsbert Jacobszoon willens en wetens en zonder geldige reden de molenaar heeft mishandeld. Een daad die onvergefelijk is en daarom bestraft moet worden met...” De drost geniet even van de dramatische stilte die hij laat vallen, dan haalt hij opnieuw adem en laat vervolgens de straf vallen als een bom: “verbanning!”

De Markt blijft doodstil. Verbanning? Nu weet iedereen dat het bestuur van de stad er met de nodige regelmaat helemaal naast zit. Maar iemand verbannen is zo’n beetje de ergste straf die er bestaat. En dat alleen maar omdat meneer de molenaar in zijn trots gekrenkt is? Waren haalt die drost de gore moed vandaan? De mensen beginnen afkeurend te mopperen. Het geroezemoes klinkt dreigend en de sfeer wordt grimmig.

De drost kijkt niet begrijpend om zich heen. Hij had op z’n minst applaus verwacht. Terechtstellingen zijn normaal gesproken een feestje. Een welkome afwisseling in de dagelijkse sleur van de dag. En nu? Het lijkt wel of de mensen boos zijn. Misschien is het beter als hij weer naar binnen gaat. Veiliger ook. Maar net als hij zich wil omdraaien vliegt er iets plakkerigs tegen zijn mantel. Verbaasd kijkt de drost naar de kledder. Hij voelt even, het is warm. Hij ruikt aan zijn hand. Dan trekt hij een vies gezicht. Het is kak. Vieze paardenkak!

Metje wil schreeuwen, Metje wil gillen. Maar voor ze ook maar één woord kan uitbrengen ziet ze hoe vrouw Luyt een grote bal maakt van een verse hoop paardenvijgen. Ze zal toch niet? En voor dat Metje het goed en wel doorheeft schiet de eerste poepbal door de lucht. Raak! Nu beginnen ook andere mensen mest bij elkaar te rapen. Al snel wordt het stadhuis bekogeld met allerlei soorten viezigheid.

“Naar binnen man!”, de schout trekt de drost het stadhuis in en sluit de deuren. “Te wapen!”, roept hij tegen de schutterij. De schutters nemen hun positie in en richten hun karabijnen via de open vensters op de woedende menigte. “Op mijn teken mannen”, gilt de schout. Iedereen hoort hoe de blinde paniek de man door zijn keel giert. “Aanleggen en...” “Stop!” Het is de stem van de commandant van de wacht. Zijn ijskoude blik lijkt de schout letterlijk te bevriezen. “Waar zijn jullie mee bezig?”, vraagt hij. “Gaan jullie schieten op de mensen die jullie eigenlijk zouden moeten beschermen? Gaan jullie schieten op je eigen dochters, je eigen vrouwen, jullie bloedeigen moeders? Zijn jullie nu helemaal belatafeld?”

“Gijssie!”, Metje baant zich een weg door de losgeslagen menigte. “Gijssie!”, gilt ze zo hard als ze kan. Metje moet nu snel zijn, profiteren van al deze chaos en Gijssie bevrijden. Maar waar is hij? Dan ziet ze hoe de wachters Gijssie de kelder induwen en snel de deuren achter zich dicht trekken. “O nee”, denkt Metje wanhopig, “hoe moet ik hem daar nu uitkrijgen?”

“Jij, jij... onbenul”, probeert de schout nog. Maar zijn woorden lekken daadkracht en hij moet moedeloos toezien hoe de schutters hun geweren laten zakken. “We laten de heren schepenen, drost en schout even alleen”, gebiedt de commandant. Het is wel duidelijk dat hij de situatie volledig meester is. “Dit is een mooie plaats voor de heren om even diep na te denken over hun gerechtelijke dwalingen.” En zonder een verder tegenwoord af te wachten, laat hij de schutterij afmarcheren en verlaten ze het stadhuis.

-

Die middag, die avond, die nacht blijft het onrustig in Culemborg. Op de markt branden her en der vuren. Ondanks het late uur zijn er nog veel mensen op straat. Ze waken. Ze willen niet dat er ook maar één iemand het stadhuis verlaat. Laat die oplichters maar zweten. Een aantal uur geleden hebben ze het stadhuis nog bestormd en geprobeerd de deuren open te krijgen. Maar die zitten hermetisch vergrendeld. “Wij er niet in, zij er niet uit”, besloot vrouw Luyt toen. Een beslissing waar iedereen zich meteen in kon vinden.

“En Gijssie dan?”, vraagt Metje. “Hij zit daarbinnen nog altijd opgesloten.” De commandant van de wacht prikt wat onachtzaam met de punt van zijn zwaard in het vuur. “Hmmm, laat dat maar aan mij over.” Dan staat hij op en loopt weg. Buiten de kring van het vuur wordt zijn gestalte al snel opgeslokt door de donkere nacht.

“Het komt wel goed meissie”, troost vrouw Luyt. Laten we maar eens gaan kijken hoe het me je moeder is.” Dan verlaten ze samen de Markt. Een markt die steeds gezelliger wordt. Steeds meer mensen komen rond de vuren staan en er wordt gedronken en gezongen. Wie niet beter wist zou denken dat er hier een gezellig feest wordt gevierd.

-

“En?”, vraagt de drost. “Helemaal niets”, fluistert de schout nog altijd op zijn hoede. Dan haalt hij z'n hoofd uit het kleine tralie venster van het deurtje aan de zijkant van het stadhuis en zegt: “We hebben nu uit elk mogelijk venster gekeken en nergens een teken van leven te bekennen. Ik denk dat ze hun roes liggen uit te slapen. Het is nog vroeg genoeg, dit is onze kans...” “Is het wel een goed idee om via de zijkant te ontsnappen?”, vraagt opeens één van de schepenen. “Hoezo?”, vraagt de drost. “Jullie kennen het verhaal toch wel van Jan van Buren?”, antwoord de man. Natuurlijk kent de drost dat verhaal, wie niet? Jan van Buren was de legeraanvoerder die ongelukkigerwijs in handen viel van de Culemborgse visvrouwen en op de visbank in mootjes werd gehakt. Zijn eigen schuld natuurlijk, had hij de stad maar niet moeten binnenvallen, maar toch... Opeens klinkt een ontsnapping via de Vismarkt niet meer zo aanlokkelijk. “Misschien heb je gelijk”, mompelt de drost. “Bovendien bieden de smalle straatjes en steegjes te veel mogelijkheden voor een hinderlaag”, merkt de man weer op. “Ja, ja”, sist de schout. “Nu weten we het wel wijsneus, we gaan via de voorkant, via de Markt.” “Maar die kunnen we nooit ongezien oversteken”, merkt de drost angstig op. “Dat is waar, maar het voordeel is dat niemand ons ongezien kan benaderen, we wagen het erop.”

Voorzichtig schuift de schout de grote grendel van het slot. Dan duwt hij tegen één van de kelderdeuren. De scharnieren piepen en kraken. Iedereen houdt z'n adem in. Het blijft stil. Als de schout opnieuw tegen de deur wil duwen klinkt er opeens een zachte kreun uit de schaduw van de kelder. “Wat is dat?”, vraagt de drost met een piepend stemmetje. De blinde paniek grijpt hem bij de keel, het duizelt hem. Het is vast zo'n moordlustig viswijf. Straks verliest hij ook zijn hoofd. Hij is nog niet klaar om te sterven, niet hier, niet nu. Hij bibbert en trilt als een riet en staart blind in de duisternis van de kelder. “Het is de molenaarsknecht”, roept opeens één van de schepenen terwijl hij de jongen in de richting van de deur sleept.

Al die tijd heeft Gijssie in de koude kelder van het stadhuis gelegen. Zonder eten en zonder water. Zijn lippen zijn gescheurd en zijn tong zit dik opgezwollen in z'n droge mond. Af en toe lukt het nog te slikken, maar meer beweging zit er niet in. Hij is op.

De mannen slaken een zucht van opluchting. Het is dat stomme joch maar, meer dood dan levend. “Mooi”, denk de schout, “een gijzelaar”. Met een valse glimlach zegt hij tegen de schepenen: “Die jongen is onze vrijbrief, zelfs als we betrapt worden durven ze ons niets te doen zolang we hem het mes op de keel zetten.” Dan trekt hij zijn dolk en snijdt de jongen in z'n wang. Het bloed spat in het rond. De drost en schepenen kijken geschokt toe. “Zodat het klootjesvolk weet dat het menens is”, gromt de schout. Zelfverzekerd draait hij zich om, trapt de deur open en marcheert naar buiten, de Markt op.

Als het groepje ter hoogte van herberg De Mart is horen ze het geluid van een grote trom. De doffe slagen echoën over de verder verlaten markt. Schichtig kijken de mannen om zich heen. Opeens verschijnt er een gestalte onder de Binnenpoort. Het is Metje. Bij elke dreun van de trom zet ze een stap in de richting van de mannen die bang en aan de grond genageld zijn blijven staan. Bij elke dreun verkort ze de afstand tussen haar en haar lief. Ze houdt haar handen stevig om een lange stok geklemd. Hoog aan deze stok heeft ze haar schort geknoopt. Het blauwe doek klappert strijdvaardig in de wind.

“Een viswijf...”, piept de drost. “Idioot”, snauwt de schout, “het is maar een kind”. Kordaat zet hij zich weer in beweging, maar dan verschijnen er aan alle kanten mensen op de Markt. De meeste vrouwen dragen, net als Metje, hun schort aan een stok. De blauwe vaandels steken fel af tegen de nog grijze ochtendlucht.

“Laat ons er door!”, galmt de stem van de schout. “Wij hebben de jongen! Als jullie ook nog maar een stap dichterbij durven komen zal hij dat met z'n leven moeten bekopen.” Dan hoort hij snelle voetstappen en als hij zich omdraait ziet hij nog net hoe Gijssie op straat valt. De schepenen hebben de jongen losgelaten en het op een lopen gezet. Ook de drost is op de vlucht geslagen. De schout staat helemaal alleen met de nog altijd sterke en dreigende Metje recht tegenover hem.

“Het eindigt hier!”, brult de schout terwijl hij z'n zwaard trekt. Met een rode waas voor z'n ogen stormt hij op het meisje af, vastberaden haar te doorboren. Even knippert Metje verschrikt met haar ogen. Maar dan voelt ze een zachte wind langs haar heen trekken en ziet ze de schout struikelen en tegen de grond slaan. Zijn zwaard klettert op de stenen en heel even is dat het enige geluid dat te horen is. Als ze dichterbij komt ziet ze hoe de schacht van een pijl uit z'n borst steekt. “Wie?”, denkt Metje. Dan hoort ze de stem van de commandant van de wacht, zijn kruisboog nog losjes balancerend op de arm: “Gelukkig waren je laatste woorden niet gelogen schout, het eindigt inderdaad hier.”

Ondertussen is Metje neergeknield bij haar Gijssie. Voorzichtig veegt ze het bloed van zijn voorhoofd. De jongen rilt en trekt een pijnlijk gezicht als Metje de snee in zijn wang even aanraakt. “Rustig maar lief”, troost ze hem. Ze legt haar schort als een deken over hem heen en strijkt met een hand door z'n groezelige krullen. Ook vrouw Luyt is bij de jongen neergeknield. Met een zorgvolle blik reikt ze Metje een natte lap. “Dep zijn lippen meissie”, fluistert ze, “die jongen is uitgedroogd.” Het water lijkt weer wat leven in de molenaarsknecht te blazen en als hij dan eindelijk z'n ogen opslaat naar het mooie meisje moet ze bijna huilen. Voorzichtig richt hij zich op en kust haar op de wang. Het is alsof er vuur door Metje schiet. Ze pakt zijn gezicht in haar handen en kust zijn gescheurde lippen alsof haar leven er vanaf hangt.

“Ahum”, stoort een stem. Als Metje haar hoofd omdraait staart ze in het bebaarde gezicht van de graaf. “Mijn heer”, mompelt ze snel en probeert op te staan. “Blijf zitten, blijf zitten meisje”, zegt de graaf vriendelijk. “Die jongen heeft jouw liefde harder nodig dan de protocollen kunnen voorschrijven. Ik wil jullie bedanken voor jullie moed. De commandant heeft me alles verteld toen hij me gisteravond laat kwam bezoeken op mijn huis De Bol. Mijn soldaten hebben de drost en de schepenen inmiddels gevangen genomen en ik heb de schutterij opdracht gegeven de molenaar in te rekenen. Deze mannen zullen hun straf niet ontlopen. En jullie verdienen een grote beloning. Ik hoop jullie vanmiddag te mogen ontvangen op het stadhuis.”

-

Die middag staat er weer een grote menigte op de Markt. Her en der steken er nog blauwe lappen boven de mensen uit. Eerder zijn Metje en Gijssie onder luid applaus het stadhuis binnen gegaan. Ze zijn daar nu al meer dan een uur. De menigte wacht in spanning af. Als dan uiteindelijk de deuren van het stadhuis opengaan en de graaf, Metje en Gijssie het bordes opstappen gaat er een golf van opwinding door de massa. “Kuilenburgers”, klinkt de rustige stem van de graaf over de Markt. “Vandaag hebben jullie geschiedenis geschreven, omdat jullie gisteren in opstand kwamen tegen het onrecht. De schuldigen zullen hun straf niet ontlopen, net als Metje en Gijssie niet onder een beloning uit zullen komen. Ik heb de molenaarsknecht gevraagd wat hij het liefste wilde. Daar hoefde hij vreemd genoeg niet lang over na te denken. Een beloning in geld, een paard of een stuk land had ik het meest voor de hand liggend gevonden. Maar deze knaap raakte me met zijn grootste hartenwens: de hand van Metje.”

Even blijven de mensen stil, maar dan breekt er een luid gejuich uit...

-

En zo gebeurde het. Gijssie en Metje traden diezelfde dag nog in het huwelijk. Natuurlijk was moeder er ook bij en de commandant van de wacht was met recht eregast op de bruiloft die vier dagen duurde. Het werd een memorabel feest. In afwachting van een nieuwe drost bleef de graaf nog gedurende enkele maanden leiding geven aan de stad. Hij herstelde het vertrouwen in het bestuur door het afschaffen van de molenkar en enkele andere oneerlijke belastingen terug te draaien. Hierbij werd hij bijgestaan door Gijssie, die daarom gekscherend “de prins van Culemborg” werd genoemd.

In de jaren die volgde werd de opstand van de Culemborgers nog regelmatig herdacht met een groot feest, dat net als de bruiloft van Gijssie en Metje, vier dagen duurde. De drost legde dan symbolisch zijn functie neer en gaf het bestuur van de stad tijdelijk in handen van een door het volk gekozen “prins”. Ook werd het een vast gebruik jaarlijks een optocht te organiseren, waarbij de vrouwen hun blauwe schorten aan stokken droegen. Na afloop werd de Markt steevast versierd met deze blauwe vaandels. Zo kregen de Culemborgers hun bijnaam: de Blauwlappen.

Het verhaal van Gijssie en Metje werd doorverteld van generatie op generatie. En ach, misschien is er in de loop van de tijd wel iets bij verzonnen of is de geschiedenis een beetje aangepast. Feit en fictie lopen soms door elkaar heen. Mooie verhalen verdienen het mooier gemaakt te worden. Dus... blijf dit verhaal vertellen en verpest het niet met de waarheid. Verzin maar iets, dat is vaak het beste.